In vergelijking met andere Europese landen was Spanje lang een agrarisch land. Nog steeds is het land een belangrijke leverancier van agrarische producten.

Pas vanaf de jaren '50 van de vorige eeuw nam de industrialisatie sterk toe. De auto-, staal- en chemische industrie zijn de belangrijkste. Daarnaast heeft Spanje een omvangrijke dienstensector, met een prominente plaats voor het toerisme.

Die verandering van agrarisch naar geïndustrialiseerd land uit zich in de beroepsbevolking. In 1950 werkte de helft van de Spaanse beroepsbevolking in de landbouw, nu is dat nog maar zo'n 5%.

In de jaren '70 ging het snel slechter met de Spaanse economie. Dat had te maken met de late industrialisatie.

Gedwongen door het ontbreken van geschoold personeel, richtte Spanje zich op de productie van goedkope consumptie-artikelen, zoals kleding en schoenen.

Die konden echter goedkoper worden gemaakt in Afrika en Azië. Tegelijkertijd waren er afzetmoeilijkheden voor de ijzer-, staal- en scheepsbouwindustrie. Bovendien keerden duizenden Spaanse gastarbeiders terug naar hun land. Dat alles bij elkaar leidde tot een sterke stijging van de werkloosheid.

Bezuinigingen, privatiseringen en saneringen wierpen pas halverwege de jaren '90 hun vruchten af. Sindsdien kent Spanje ieder jaar een sterke economische groei. De laatste jaren is de groei getemperd, net als in de meeste andere EU-landen.

Een groot deel van de recente groei wordt toegeschreven aan binnenlandse consumptie en de bouwsector. Omdat het de Spanjaarden voor de wind gaat, investeren ze veel in huizen, waarvoor ze forse hypotheken afsluiten.

Die markt raakt op een gegeven moment verzadigd en dan zullen andere sectoren voor groei moeten zorgen. Om de concurrentie voor te blijven, moeten bedrijven geld uitgeven aan vernieuwing en opleiding van personeel. Maar vergeleken met andere landen in Europa investeren Spaanse ondernemingen juist weinig in onderzoek en ontwikkeling. Daarom is de stimulering daarvan een speerpunt in het beleid van de huidige Spaanse regering.

Spanje heeft een hoge werkloosheid: 11% in 2003. Maar afgezet tegen het cijfer van 1995 (23%) is er sprake van een forse daling. In 2003 werd een maatregel afgekondigd die het voor buitenlanders met Spaanse familie makkelijker maakt om zich in het land te vestigen. Spanje vreest de vergrijzing van de bevolking en wil op deze manier verse arbeidskrachten aantrekken. Tegelijkertijd wordt er strenger opgetreden tegen illegale immigratie.

Met steun van de Europese Unie staan er in Spanje grote projecten op stapel om de infrastructuur te verbeteren. Zo worden er hogesnelheidslijnen aangelegd tussen Figueras en Perpignan in Frankrijk, tussen Madrid en de Portugese hoofdstad Lissabon, en tussen Vigo en het Portugese Porto.

Voor toeristen heeft Spanje veel te bieden: een prettig klimaat, mooie stranden, historische steden, rustieke dorpjes en prachtige landschappen. In 2005 trok het land zo'n 55,6 miljoen buitenlandse toeristen, 6 procent meer dan in 2004. Daarmee bezet Spanje in Europa de tweede plaats op de ranglijst van populairste vakantielanden, na Frankrijk.

De belangrijkste trekpleisters zijn de Spaanse stranden (costa’s), maar de steden en het binnenland zijn aantrekkelijke alternatieven, vaak voor korte vakanties.

Steden als Sevilla en Barcelona zijn zeer populair onder toeristen die meer willen zien dan alleen zee en strand.

Daarnaast is Spanje een favoriet land voor overwinteraars: vaak ouderen die de kou in Noord-Europa ontvluchten om in Spanje de winter door te brengen.

Ibiza heeft zich ontwikkeld tot hèt eiland voor jongeren.
Dat zorgt overigens ook voor problemen: jongeren die zich onder invloed van alcohol en/of drugs misdragen.