Vanaf 1939 werd Spanje geregeerd door generaal Francisco Franco. Hij had de Spaanse Burgeroorlog gewonnen met steun van Italië en nazi-Duitsland. Hoewel Franco daarvoor dankbaar was, weigerde hij deel te nemen aan de Tweede Wereldoorlog, ondanks aandringen van Adolf Hitler.

Na de oorlog probeerde Franco de scherpe kantjes van zijn regime af te zwakken: het aantal arrestaties van politieke tegenstanders verminderde en fascistische symbolen werden afgeschaft. Dat hielp weinig: vele landen weigerden betrekkingen aan te gaan met het Spanje van Franco.

Dat veranderde in 1950. Bij het uitbreken van de Koreaanse oorlog werd Spanje door de Amerikanen gezien als een belangrijke bondgenoot tegen het communisme. De Verenigde Staten kwamen met militaire en economische steun over de brug, in ruil voor het gebruik van militaire bases in Spanje. In 1955 werd Spanje lid van de VN, maar het land moest tot 1982 wachten voordat het lid mocht worden van de NAVO.

Franco voerde in de jaren vijftig economische liberaliseringen door. Gecombineerd met buitenlandse investeringen en een groeiend toerisme naar Spanje kon de economie opbloeien. Politiek bleef Franco een dictator die geen tegenspraak duldde. Afscheidingsbewegingen in Catalonië en Baskenland werden met harde hand onderdrukt.

Eind jaren '60 werd ook in de politiek enige versoepeling zichtbaar: de pers kreeg meer vrijheid en Franco wees Juan Carlos de Bourbon (de kleinzoon van de laatste koning Alfons XIII) officieel aan als zijn opvolger.

Franco overleed op 20 november 1975. Twee dagen later werd Juan Carlos beëdigd als koning van Spanje. Hij effende de weg naar democratie door de zittende premier Carlos Arias te vervangen door Adolfo Suárez.

Deze Suárez nam de overgang naar democratie krachtig ter hand: burgerlijke vrijheden werden hersteld en de socialistische en communistische partijen werden weer toegestaan. Voor het eerst in ruim veertig jaar werden in 1977 parlementaire verkiezingen gehouden, waarbij de partij van Suárez, de Unie van het Democratisch Centrum, eenderde van de stemmen won.

Het parlement nam in 1978 een nieuwe grondwet aan. Daarin werd onder meer grotere vrijheid beloofd aan de regio’s in Spanje. Die belofte werd ingelost: eerst kregen Catalonië en Baskenland een autonome status, gevolgd door alle andere Spaanse regio’s.

Spanje is dus veranderd van een centraal geleide staat in een verzameling van autonome gemeenschappen. De rechten van deze verschillende regio’s zijn overigens zeer uiteenlopend. Alleen Baskenland wil volledige onafhankelijkheid. De aanslagen van de Baskische terreurbeweging ETA gingen daarom onverminderd door.

De prille democratie werd in 1981 bedreigd, toen leden van de Guardia Civil onder leiding van kolonel Antonio Tejero het parlement (de Cortes) binnendrongen. Zij hielden de parlementariërs 18 uur lang onder schot, terwijl in Valencia tanks door de straten reden. De crisis werd in de kiem gesmoord door koning Juan Carlos. Hij wist het leger ervan te overtuigen de poging tot staatsgreep niet te steunen.

Binnen het leger bleef evenwel een stroming bestaan die zich verzette tegen verdergaande democratisering. Kort voor de verkiezingen van 1982 werd ontdekt dat onderdelen van het leger opnieuw plannen maakten voor een greep naar de macht. Drie hoge militairen verdwenen achter de tralies.

De verkiezingen werden gewonnen door de socialist Felipe González. Ondanks financiële schandalen, hoog oplopende inflatie en toenemende werkloosheid, bleef hij ruim dertien jaar lang premier. Tijdens zijn premierschap werd Spanje lid van de Europese Gemeenschap (in 1986).

De verkiezingen van 1996 werden een overwinning voor de conservatieve Volkspartij (Partido Popular) van José María Aznar. Zijn belangrijkste opgave was de begroting gezond te maken, een voorwaarde voor toetreding tot de euro. Met bezuinigingen en privatiseringen lukte dat.

Intussen bleef de Baskische terreurbeweging ETA de aandacht opeisen. In 1996 gingen er in 12 plaatsen langs de Spaanse kust bommen af in een poging de toeristenindustrie schade toe te brengen. Een jaar later werd een jonge politicus van de Partido Popular door de ETA ontvoerd en vermoord.

Miljoenen Spanjaarden gingen de straat op om te protesteren tegen het geweld. In 1999 werd er een wapenstilstand afgekondigd.

Achteraf bleek dat de ETA die gebruikt heeft om zich te kunnen reorganiseren. Een nieuwe, jongere en radicalere generatie heeft nu de leiding van de beweging. De politieke arm van de ETA, Herri Batasuna ("Verenigd Volk") is sinds 2003 verboden.

Op 11 maart 2004 werd Spanje opgeschrikt door een aantal aanslagen op forensentreinen in Madrid. Daarbij vielen 191 slachtoffers.

Premier Aznar legde de verantwoordelijkheid aanvankelijk bij de ETA. Maar al gauw bleek dat de aanslagen het werk waren van extremistische moslims, uit protest tegen de Spaanse militaire aanwezigheid in Irak.

Het leverde de pro-Amerikaanse Aznar drie dagen later een verkiezingsnederlaag op. Zijn opvolger, de socialist Zapatero, trok de Spaanse troepen terug uit Irak.